"Je eigen inbreng is essentieel”
De weg van een acteur is zelden rechtlijnig. Tania Van der Sanden, Lucie Plasschaert en Veroline Vanderbeek delen het verhaal van hun traject, hun passie en hun blik op een veranderend landschap.
Hoe is het voor jullie begonnen?
Tania Van der Sanden: “Toen ik heel jong was, droeg ik altijd gedichten voor, deed ik sketches na van Gaston en Leo en Paul van Vliet, en danste ik op familiefeesten. Iemand van de Academie van Deurne zei tegen mijn moeder dat ze me moest inschrijven voor voordracht. Daar had ik een heel toffe lerares, van wie ik enorm veel heb geleerd. Later koos ik als piepjonge vrouw voor het Conservatorium van Antwerpen. Het was voor niemand een verrassing dat ik voor de toneelschool koos.”
Lucie Plasschaert: “Ik zat op een strenge katholieke uniformschool waar ik niet goed aardde. Ik kreeg ook verschillende stempels zoals dyslexie en dyscalculie. Ik was daar heel ongelukkig. In het tweede middelbaar deed ik de overstap naar de kunstschool om te gaan schilderen. Maar na een toneelles had ik iets van ‘Hé, dit is leuk. Dit is wel iets voor mij.’ Ik koos uiteindelijk voor Woordkunst-Drama en mocht op mijn 17de starten aan het KASK.”
Veroline Vanderbeek: “Ik leefde in mijn eigen wereld. Op elke familiefeest trad ik op en verplichtte ik mijn broer en zus om mee toneel te spelen, samen met een vriendin maakte ik musicals en volgde ik theaterlessen in het deeltijds kunstonderwijs. Bij de ingangsproeven
voor het Conservatorium van Antwerpen was ik niet geslaagd, ze vonden me niet matuur genoeg, dus ging ik Sociologie studeren.”
Tania: “Ik heb destijds mijn tweede jaar opnieuw moeten doen om diezelfde reden.”
Lucie: “Ik vond dat ook heftig: iedereen sprak in een jargon dat ik niet begreep. Ik wist niet eens wat een dramaturgie was (lacht). Maar jong zijn heeft ook zijn voordelen omdat je minder nadenkt en je jezelf gewoon smijt voor de groep.”
Veroline: “Ik ben - achteraf gezien - wel blij hoe het gelopen is. Door mijn opleiding Sociologie heb ik bijvoorbeeld de kans gehad om in het buitenland te studeren. Nadien ben ik met al die bagage wél kunnen starten op het Conservatorium van Antwerpen.”
Wat heeft jullie uiteindelijk het meest gevormd?
Tania: “Ik heb een trimester lang les gehad van Dora van der Groen. Ik begreep daar toen niet veel van: zaken concreet maken, zinnen analyseren of met kleuren werken. Dat waren toen heel abstracte dingen die pas later duidelijk werden. Mijn grootste vorming was na mijn studies toen ik Sam Bogaerts leerde kennen. De manier waarop hij over theater dacht, probeer ik nu ook door te geven als ik zelf lesgeef.”
Lucie: “Op het KASK kreeg ik les van heel uiteenlopende theaterdocenten, ook van makers van wie het werk mij persoonlijk minder aansprak. Toch bleek het waardevol om inzicht te krijgen in hun werkwijzen en artistieke keuzes. Door verschillende benaderingen
te leren kennen, begrijp je beter wat relevant is voor je eigen ontwikkeling als maker. Een open houding is daarbij onmisbaar.”
Tania: “Maar eigenlijk stopt het nooit. Door telkens met andere regisseurs te werken leer je andere vormen van theater kennen. Ik heb de kans gehad om met verschillende gezelschappen te mogen werken: van producties van Abattoir Fermé tot NTGent en alles daartussen. En elke keer is het anders. Je blijft jezelf steeds ontwikkelen.”
Het valt op dat de nadruk in acteursopleidingen steeds meer op het makerschap ligt. Beschouwen jullie je meer maker of acteur?
Veroline: “Het conservatorium van Antwerpen stond bekend als school waar de ambachtsacteur werd gevormd. Ik startte toen Sara De Roo en Clara van den Broek net artistiek coördinatoren waren. De opleiding zat in een overgangsfase, we kregen ook een makersblok bijvoorbeeld.”
Tania: “Vandaag volstaat het niet meer om louter uitvoerend kunstenaar te zijn. In vrijwel elke opleiding krijgen studenten ook ruimte om zelf te creëren en artistieke keuzes te maken. Je eigen inbreng is dan ook essentieel. De tijd van de regisseur die elke handeling
minutieus voorschrijft, ligt achter ons.”
Lucie: “Pas op, ze zijn schaars, maar ze bestaan nog. Maar als je enkel met die regisseurs wil werken, ga je niet van deze job kunnen leven (lacht).”
Is dat dan het grote verschil tussen theater, televisie en film?
Tania: “Dat hangt ervan af met wie je werkt. Ik heb het plezier gehad om met Jan Eelen te werken. Bij Vaneigens (slotsegment bij Man Bijt Hond tussen 1997 en 1998, nvdr.) was je eigen inbreng heel belangrijk.”
Lucie: “Bij het opnemen van een serie zijn tijd en budget beperkter. Er moet snel gewerkt worden en er is vaak geen tijd om lang na te denken over bepaalde scènes.”
Veroline: “Ik heb het geluk gehad om samen te werken met Pieter Solta in zijn film My Friend Miles. Pieter is filmregisseur, maar heeft een achtergrond in het theater. Aan de opnames ging een repetitieperiode vooraf, wat voor mij een groot verschil maakte. De andere film waarin ik meespeelde, werd volledig geïmproviseerd. Als acteur vind ik die werkwijze erg bevrijdend. Momenteel gaat mijn voorkeur uit naar film. Op dit ogenblik speel ik enkel in mijn eigen voorstelling, en niet bij andere gezelschappen. Het is bijzonder moeilijk om ergens ingang te vinden.”
Tania: “Het is allemaal niet zo vanzelfsprekend meer om een platform te krijgen. Wij studeerden in 1984 met drie acteurs af en hadden meteen werk. Tegenwoordig zijn er veel minder middelen, maar studeren er wel meer acteurs af. Je moet als jonge acteur al zeer ondernemend zijn. De theateropleidingen schieten daarin tekort.”
Juist om die reden publiceerde theatermaker Egon Schoelynck Huh Waarom Wist Ik Dit Niet, een handleiding voor startende
podiumkunstenaars.
Tania: (enthousiast) “Dat zou overal wijdverspreid moeten worden!”
Veroline: “Verschillende residentieplekken bieden het al gratis aan hun residenten aan en willen het ook schenken aan pas afgestudeerden.”
Wat maakt het zo moeilijk om als beginnende maker je werk te ontwikkelen en te tonen binnen het huidige systeem?
Veroline: “Door mijn opleiding Sociologie heb ik wel de vaardigheden en kennis die nodig zijn om een subsidiedossier te kunnen schrijven. Ik geloof niet dat het me was gelukt zonder. Maar door corona kon ik mijn eerste voorstelling maar zes keer spelen. Alles werd telkens uitgesteld. Dat vind ik het moeilijkst: je werkt jaren aan iets, vaak grotendeels onbetaald, maar krijgt niet altijd de speelkansen om het echt te laten rijpen. Terwijl het spelen voor publiek, net nodig is om je ambacht te ontwikkelen.”
Tania: “Veel spelen is zo belangrijk. Een voorstelling blijft zich steeds ontwikkelen en wordt beter naarmate die meer gespeeld wordt. Je moet ook gezien worden om jezelf te kunnen verkopen. De passie voor theater moet zeer groot zijn. Anders begin je er beter niet aan.”
Hoe gaan jullie om met afwijzing?
Veroline: “Van een bevriende acteur kreeg ik het advies om de afwijzing één dag echt te laten binnenkomen. Het is goed om er even stil bij te staan, maar ook niet te lang. Afwijzing hoort er gewoon bij. Nadien voel ik terug een innerlijke drang om verder te doen.
Tania, jij bent niet vaak afgewezen geweest dan?”
Tania: “Nee, in het begin nam ik gewoon alles aan wat op mijn pad kwam. Ik deed auditie voor de hoofdrol in De Leeuw van Vlaanderen (de film uit 1984, nvdr.), en kreeg uiteindelijk een bijrol. (lacht) Daar moet je echt niet naar kijken. Verschrikkelijk! Intussen krijg ik rollen omdat ik veel mensen in het vak ken. Tegelijk zit ik wel een beetje in een bepaald schuifje: voor televisie word ik zelden gevraagd voor echt dramatische rollen.”
Lucie: “Ik denk dat het binnen ons vak superbelangrijk is om te beseff en dat afwijzing niet per se persoonlijk is. Vaak gaat het over heel specifieke keuzes of kleine details waar je weinig vat op hebt. Het hoort er nu eenmaal bij, en het hoeft ook niet zwaar beladen te zijn.
Wat je wél kan doen, is proberen eruit te leren: jezelf blijven ontwikkelen, je speelveld verbreden, je veelzijdigheid vergroten. Ik wilde een zo divers mogelijke speler zijn, met verschillende facett en — zowel komisch als tragisch, groot en klein, beweeglijk en net heel stil. Dat al die mogelijkheden in mij kunnen bestaan, vind ik net heel interessant om te verkennen.”
Hebben jullie een voorkeur tussen theater, televisie of film?
Lucie: “Dat voelt een beetje alsof je vraagt of je liever verpleegster, brandweerman of loodgieter bent. Acteren is voor mij een koepelterm: creatief spreken of bewegen voor een publiek. Maar de manieren waarop je dat doet, binnen verschillende media, zijn zó verschillend dat het eigenlijk andere werelden zijn.”
Tania: “Ik vind dat een moeilijke vraag. Televisie is altijd een fijne ervaring geweest, net als theater — al verdien ik daar het meeste mijn boterham mee.”
Veroline: “Tot nu toe gaf film mij het meeste plezier. Maar ook het maken zelf vind ik heel boeiend, al is dat iets totaal anders. Ik wil vooral veel spelen, maar de kansen komen niet vanzelf. Het hangt sterk af van wat zich aandient en met wie je kan werken.
Tania: “Klopt. Ik kies eigenlijk vooral voor de mensen met wie ik wil samenwerken. Dan maakt het minder uit of het theater of televisie is.”
Jullie staan dit jaar op de planken van De Kern. Hoever staan jullie in het creatieproces?
Tania: “We hebben net een eerste lezing gehad van Tiramisu. Het is een sterke tekst van Louky van Eijkelenburg over twee zussen, van wie één uit het leven wil stappen. Het thema is zwaar, maar onder leiding van Ruud Gielens, die ik ken van het RITCS, zoeken we naar een goede balans tussen zwaarte en lichtheid.”
Lucie: “Falstaff is al op tournee geweest als openluchtvoorstelling, maar vanaf dit seizoen spelen we hem in theaters. Die overgang wordt spannend: buiten speelden we met verschillende dieptes, wat in een blackbox niet echt kan. Maar ik heb er wel heel veel zin in!”
Veroline: “Mayken is een muziektheatervoorstelling over Mayken Verhulst, een vergeten kunstenaar en leermeester van Pieter Bruegel. In haar tijd was ze een gevierd kunstenares, maar haar volledige oeuvre is spoorloos verdwenen. Zelfs het portret dat Bruegel van haar maakte, is nergens meer terug te vinden. Voor deze voorstelling werk ik nauw samen met een kunsthistorica die hier onderzoek naar deed. Ik speel de voorstelling afwisselend in musea en cultuurcentra.”
Tania: “Speel je de voorstelling alleen?”
Veroline: “Nee, ik speel het samen met muzikant en performer Abel Baeck. En we krijgen artistieke ondersteuning van Eurudike De Beul, zangeres en kunstenares, die ook de scenografie op zich neemt.”
Tot slot, wat is jullie grote droom?
Veroline: “Ik wil Mayken graag in het Italiaans vertalen en in Italië spelen. Daar is het landschap minder verzadigd en trek je ook als onbekende maker een groter publiek.”
Tania: “Ik kijk ernaar uit om te zien wat er op mijn pad komt: nieuwe samenwerkingen, nieuwe mensen leren kennen en de kans om mezelf opnieuw uit te vinden. En als ik ooit in een bejaardenhuis beland, richt ik daar gewoon een theatergroepje op en vraag
ik Veroline om te spelen (lacht).”
Veroline: “Ik wil zoveel mogelijk spelen, liefst samen met een gezelschap. En wie weet samen met Tania. Nu we allebei op de cover staan, gaat iedereen toch al denken dat we samen iets gaan doen (lacht).”