"Onze job? Een knelpuntberoep!"
Huub Colla, Wim Schuer en Ruth Bresseleers (van links naar rechts op de foto hierboven)-
in de sector beter bekend als Huub van Collage, Ruth van Thassos en Wim van Garifuna
Cultuurhuizen en artiesten kunnen niet zonder, maar bij het brede publiek zijn ze ongekend. Ze gaan vaak kijken naar ‘hun’ voorstellingen, maar in een zaal, omgeven door toeschouwers, weet niemand dat zonder hun medewerking die voorstelling daar niet had gestaan. We stellen u voor: drie gangmakers van de bekendste theaterbureaus die seizoen na seizoen het gros van de Vlaamse podiumvoorstellingen helpen spreiden: Ruth, Huub & Wim. Het volgende gesprek is goed voor opgeteld vele decennia aan onversneden ervaring inzake cultuurspreiding!
Jullie opereren voornamelijk in de schaduw. Daarom graag een korte voorstelling: wie zijn jullie & welke organisatie representeren jullie?
Ruth Bresseleers: “Ik ben Ruth Van Thassos, het theaterbureau dat ooit door Paul Schyvens (tevens oprichter van De Roma, nvdr) werd opgericht maar dat sinds 15 jaar onder mijn hoede staat. Ik startte er in 2001 en in 2010 nam ik de fakkel over. We hebben altijd de focus gelegd op theater, zowel avondvoorstellingen als jeugdproducties, maar nu en dan nemen we ook muzikale voorstellingen en circusproducties op in ons aanbod. Verder zijn we zeker niet vies van het ‘jongere’ en ‘moeilijkere’ werk, al wordt dat laatste etiket te snel uit de kast gehaald vind ik.”
Wim Schuer: “Ik ben Wim van Garifuna en ik ben echt in de sector gerold. Van opleiding ben ik klassiek muzikant maar ik had altijd al een fascinatie voor het produceren en verspreiden van voorstellingen. Na mijn studies ben ik gaan werken voor een commercieel boekingskantoor waar ik veel geleerd heb, maar al snel besefte dat ik toch meer mijn gading zou vinden in de culturele sector. Na enkele omzwervingen en een eigen bureau heb ik mijn voorganger Kris Eelen van Garifuna leren kennen en na ettelijke samenwerkingen heb ik twaalf jaar geleden het bureau overgenomen. Wat wij aanbieden: comedy, muziek en een klein beetje theater. Wij verzorgen het management voor enkele artiesten, produceren elk seizoen ook enkele voorstellingen en volgen verder de boekingen op voor andere gezelschappen die we aanbieden aan cultuurhuizen.”
Huub Colla: “Ik ben veruit de oudste, niet alleen in dit gezelschap maar ook in de sector. (lacht) Ik zit er dan ook al meer dan 45 jaar in. Ik ben begonnen bij het MMT (Mechels Miniatuur Theater, nvdr), werd dan directeur van het cultuurcentrum van Mechelen en besloot dan als zelfstandige verder te gaan omdat ik me niet gebonden wilde voelen aan politieke druk of beïnvloeding. In 2001 heb ik Collage opgericht, mijn theaterbureau dat dit jaar 25 jaar bestaat. We zijn begonnen met muziekvoorstellingen, genre Dirk van Esbroek, en teksttheater dat toen in de verdrukking zat. Raamtheater, ‘t Arsenaal, … Men zei me toen vaak: ‘Huub, dit is een fijn idee, maar het zal geen lang leven beschoren zijn, de toekomst is immers aan de comedy.’ Ik dacht dan: “Dat zal niet zijn, we gaan eens bewijzen dat theater even belangrijk is als comedy.”
Jullie reden allen een respectabel parcours. Wat zijn de grootste veranderingen die jullie in die tijd hebben zien opduiken?
Wim: “De rol van een boekingskantoor is zeker veranderd. Ook wij voeren nu mee promotie. Vroeger deed het cc dat met affiches en flyers, maar die wereld is natuurlijk helemaal veranderd. Daarnaast staan moeilijkere of minder toegankelijke producties, noem het zoals je wil, jammer genoeg steeds meer onder druk.”
Pakweg vijftien jaar geleden konden jullie makkelijker minder bekende of moeilijkere voorstellingen spreiden?
Wim: “Zonder enige twijfel.”
Huub: “Onderschat de politieke druk ‘van de volle zalen’ niet. Het belang van uitkoopsommen is dan wel kleiner geworden, het heeft plaatsgemaakt voor één nieuw zaligmakend criterium: als de zaal maar vol zit.”
Hier in De Kern heb ik nooit enige druk ervaren op onze programmatie. Noch vanuit Wilrijk, noch vanuit het Antwerpse stadhuis. Zijn wij de uitzondering op de regel?
Wim: “Je wilt niet weten in hoeveel Vlaamse cultuurcentra waar ik jaarlijks met mijn aanbod passeer, de laptop minutieus wordt geconsulteerd: die artiest, hij stond hier drie jaar geleden; hoeveel tickets verkochten we toen …?” Meer en meer, ook voor het genre theater, merken wij dat de uitverkoop van een zaal als een criterium wordt gehanteerd.”
Ruth: “Ik heb dezelfde ervaring. Je kan natuurlijk niet elk cc over dezelfde kam scheren, dus ja, jullie mogen je gelukkig prijzen! Je voelt het ook bij programmatoren die al langer meegaan en niet per se zo willen denken maar wel gedwongen worden in dat keurslijf te opereren.”
Huub: “Niet onbelangrijk in deze: de leeftijd van de gemiddelde programmatoren die drastisch verlaagd is, we maken nu stafmedewerkers mee van 24, 25 jaar die hoegenaamd geen referentiekader hebben. Vroeger doorliepen medewerkers in de huizen verschillende stadia alvorens programmator te worden, dat is er nu niet meer bij. Iedereen is nu polyvalent, met of zonder veel bagage en het samenstellen van een programma is gewoon één van de vele taken geworden.”
Ruth: “Gelukkig merk je ook een tegenbeweging, onder andere bij een aantal jonge programmatrices in het Limburgse, zij vormen een klankbordgroepje op zichzelf, trekken vaak carpoolend naar dezelfde voorstellingen, gaan bij elkaar te rade om ideeën uit te wisselen… Jonge programmatoren krijgen inderdaad vaak te weinig omkadering waar het in de huidige context al geen cadeau meer is om zo’n functie uit te oefenen… Leestip: een mooi doorleefd artikel dat net verscheen op etcetera van Senne Vanderschelden, een jonge programmator in Sint-Pieters-Woluwe die avontuurlijker begon te programmeren en die de evolutie beschrijft die hij heeft doorgemaakt, inclusief veel zelfinzicht en een mooi pleidooi om meer tijd te besteden aan het ècht leren kennen van zijn publiek.”
Huub: “Een goeie programmator moet evolueren, niet per se revolteren.”
Ruth: “De evolutie daar is al langer aan de gang met de doortocht van een andere programmator, corona,… Er wordt nog steeds theater geprogrammeerd, maar daarbinnen worden andere keuzes gemaakt.”
Welke criteria hanteren jullie bij de samenstelling van jullie portfolio’s?
Wim: “Nieuwe namen of gezelschappen moeten aansluiten bij het DNA van ons kantoor. Buikgevoel, misschien, maar voor mij is niets zo belangrijk als dat. Het DNA van Garifuna heeft te maken met toegankelijkheid en met de mogelijkheid, zeker voor nieuwe namen, om samen een parcours af te leggen. Niet één of twee seizoenen iets proberen en dan, als het niet lukt, bedankt en tot ziens zeggen. The Bonnie Blues is een goed voorbeeld, daar rijden we een vooraf strak uitgestippeld parcours mee dat elk jaar vooraf bepaalde doelen ambieert. In het wilde weg een groep in de markt zetten, dat wèrkt gewoon niet meer.”
Ruth: “Er belanden elke dag opnieuw ontzettend veel aanbiedingen van artiesten en gezelschappen in onze mailbox, wij zijn echt een knelpuntberoep geworden. (lacht) Het is onmogelijk om me in al die vragen te verdiepen. De eerste selectie: triggert dit mij? Als dat het geval is, dan maak ik ruim de tijd om elkaar goed te leren kennen, inderdaad ook vanuit het idee om samen een parcours te rijden.”
Huub: “Wij gaan ook alleen langdurige samenwerkingen aan, je moet dus echt kieskeurig zijn. Wat ik zeker niet wil, is eigen gezelschappen beconcurreren. Als er een maker op me toestapt, is dat de eerste vraag die ik stel. Na al die jaren heb je immers een uitgebalanceerd aanbod samengesteld, veel nieuwe namen kunnen er niet meer bijkomen, ik ga pakweg Lazarus geen pijn doen.”
Ik heb ooit als programmator vijfmaal op rij Triggerfinger geweigerd toen ze voor geen geld werden aangeboden. Zes maanden later braken ze door tot de grote festivalacts die heel Europa veroverden. Welke namen hadden jullie bij nader inzien beter wel opgenomen in jullie aanbod?
Huub: “Wij kunnen natuurlijk geen namen noemen. Er zijn zeker mensen waarvan ik gezegd heb: Hier stopt het. Bijvoorbeeld: je hebt een goede samenwerking met een gezelschap maar de artistieke directeur wordt vervangen en begint een totaal andere koers te varen. Dan heb je weer heel wat tijd, dikwijls enkele seizoenen, nodig om die lijn vertaald te krijgen in een aanbod. Die verandering kan positief zijn, maar ook negatief omdat het gezelschap een referentie heeft opgebouwd. Die referentie kan natuurlijk ook positief of negatief zijn.”
Een vraag die ik me al lang stel: hoe houden jullie het in godsnaam uit met die drukke agenda’s, elke dag opnieuw overladen met karrevrachten stress?
Ruth: “Het eindigt inderdaad nooit. Juni en juli zijn er om administratie bij te werken. Uitbollen op het einde van het seizoen is er niet meer bij. Rustiger wordt het nooit meer. Vroeger zat ik in oktober, november, december tot ’s avonds laat te werken, Ik moet vaststellen dat dit intussen het ganse seizoen zo doorgaat. Ik zit één avond per week met mijn partner in de zetel, een goed glas wijn in de hand. That’s it. Het lijkt een vreemde job om uit te oefenen, wij zijn tussenschakels in een ketting die vaak met klachten en problemen overladen worden, van gezelschappen én cultuurcentra. Als tournees goed lopen, wordt dat niet per se als onze verdienste gezien. Wat ik volledig begrijp, ik heb geen probleem met een ‘nederige’ positie, maar er komt bij onze job veel meer kijken dan vaak gedacht wordt.”
Wim: “Ik zie jongere collega’s onze job niet op dezelfde wijze uitoefenen. Zij pakken het anders aan, met drie, vier grote commerciële namen. Maar zoals wij het doen? Niemand wil dat nog.”
Ruth: “Laten we de factor ‘ver-freelance-isering’ van de sector niet onvermeld laten. Daar waar vroeger een gezelschap zei: ‘Wij schrijven onze ploeg drie maanden in, dit is de speelperiode, Go!’, is dat nu helemaal veranderd. Gezelschappen hebben die middelen niet meer, vandaag werkt iedereen met dagcontracten, artiesten engageren zich in verschillende producties… je kan je voorstellen hoe intensief het puzzelwerk vandaag is geworden. Elke datum moet vier maal gecheckt worden…”
Huub: “Alles lag vroeger vast inderdaad. Het MMT werkte met 20 vaste acteurs!”
Wim: “Wij moeten voor sommige producties bij elkaar nagaan: acteur X, is die vrij op 10 oktober? Of anders gezegd: wie van ons krijgt 10 oktober… (lacht). Nog los van het feit dat elke cultuurcentrum op een andere wijze naar zakelijke contracten kijkt en voor elke uitgave een bestelbon de lucht in slingert…”
Werken jullie de fragmentering van de sector niet ook zelf in de hand door artiesten in verschillende voorstellingen aan te bieden, waardoor tournees korter worden en carrières versnipperd dreigen te geraken?
Huub: “Niet in ons geval. Ik vraag een vrije periode per productie zodat we onmiddellijk kunnen toezeggen tijdens een programmatiegesprek. Als ik voel dat een voorstelling niet voluit kan gaan omdat de acteurs bij teveel projecten betrokken zijn en niet voldoende beschikbaar zijn vraag ik aan het gezelschap om de voorstelling uit te stellen. Dat was bijvoorbeeld vorig seizoen het geval met Marius en de voorstelling Lorenzo. Het moet mogelijk zijn een toer van minstens 15 of 20 voorstellingen te hebben anders heeft toeren geen zin.”
Wim: “Uit ons aanbod is Lucas Van den Eynde een goed voorbeeld. Hij is actief als acteur, doet mee aan liedjesprogramma’s, wil zoveel mogelijk spelen… Maar ik zou Lucas nooit in drie, vier muziekprojecten zetten. Maar los van Lucas, ik heb er alle begrip voor dat jonge artiesten zich freelance aanbieden.”
Een aanvullende vraag: zijn er niet gewoon te veel makers?
(Huub en Wim knikken instemmend, Ruth twijfelt…).
Ruth: “Onderwijsinstellingen hebben hun aantallen studenten en afgeleverde diploma’s nodig. En ik denk ook dat de mentaliteit bij ouders is veranderd. Er is minder de schroom om jongeren aan een artistieke opleiding te laten beginnen.
Huub: Laten we ook niet vergeten dat er kunstscholen zijn bijgekomen, van Rits over PXL, KASK, ...”
Wim: “Om van de musicalafdeling van het Conservatorium Brussel nog niet te spreken. Elk jaar opnieuw studeren musicalartiesten af terwijl die sector nu al volledig verzadigd is.”
Huub: “Er zijn te veel makers, maar ook zijn er elk jaar minder speelplekken. Een nieuw fenomeen dat opduikt is dat van de regio’s. Een voorstelling mag maar éénmaal in een regio staan, en die regio’s worden steeds groter. Dat gaat soms over 20 cc’s…”
Wim: “Er duiken tegenwoordig programmatoren op die denken dat heel Vlaanderen één regio is.” (algemene hilariteit)
En De Kern? Hoe kijken jullie naar ons? Waar zijn wij goed in maar evengoed: welke steken hebben wij laten vallen?
Huub: “Laat mij positief beginnen: Jullie zijn een rots in de branding voor het teksttheater. Als ik van voorstellingen denk dat ze goed in De Kern zouden passen, dan staan ze er ook meestal, wat dat betreft lopen onze verwachtingen vaak parallel. Problematisch vind ik wel dat voorstellingen van bijvoorbeeld een Peter De Graef niet meer op meerdere Antwerpse podia kunnen staan. Vroeger kon dat probleemloos, nu krijg ik te horen: ‘Neen, Peter heeft al in Berchem gestaan, daar blijft het bij.”
Wim: “Voor Garifuna gesproken, blijf ik het erg prettig samenwerken vinden met De Kern. Er zitten hier goeie programmatoren die de voorbije jaren een interessante beweging richting verbreding en verdieping tegelijk. Doortrekkend naar Antwerpen maak ik me wel wat zorgen over enkele huizen waar keuzes worden gemaakt die ik echt niet begrijp.”
Ruth: “Over De Kern kan ik echt niets kritisch zeggen, er zitten hier fijne, goeie mensen. Ik mis wel het overleg met de programmatoren van de Antwerpse huizen. (Tot voor enkele seizoenen geleden spraken wij met programmatoren van Antwerpse cultuurcentra gezamenlijk af met deze en andere verkoopbureaus om samen door hun aanbod te gaan en in groep te beslissen waar welke voorstellingen het best tot hun recht zouden komen – nvdr) Wij mailen nu noodgedwongen met medewerkers, maar het gesprek dat wij vroeger hadden, het belichtte de realiteit waarin beslissingen genomen worden langs twee zijden… Ik blijf het jammer vinden om door de cultuurcentra als ‘de andere kant’ bekeken te worden, wij werken samen, toch? Het ruimere gesprek met programmatoren die je soms maar éénmaal per jaar ziet heeft een grote meerwaarde in mijn ogen.”
Wim: (Instemmend) “Ik ben niet per se een groot voorstander van overlegstructuren, maar ik heb vaak Antwerpen als voorbeeld aangehaald van wèl een goed, efficiënt en transparant overleg. Ik beaam wat Ruth zegt, het is erg jammer dat het nu is weggevallen.”
En de toekomst? Waar zien jullie je zelf binnen tien, vijftien jaar?
Wim: “Ik ben van nature optimistisch, maar als ik de toenemende privatisering van de cultuurcentra bekijk, dan slaat de angst mij om het hart. Wij drieën kunnen nog wel verder, wij hebben allemaal grotere producties in de aanbieding, maar kleinere bureaus die de focus leggen op jonge talenten zie ik niet standhouden. Promotoren die zalen afhuren en er eigen producties plaatsen, de handelswijze begon met comedyvoorstellingen maar infiltreert nu ook meer en meer het theateraanbod. Er zijn steeds meer cultuurcentra en gemeenschapscentra die samenwerkingen aangaan met deze promotoren, ook onder lokale beleidsdruk.”
Ruth: “Ik geloof gelukkig in golfbewegingen en ga er dus vanuit dat het huidige politieke klimaat dat de cultuursector minder gunstig gestemd is, niet eeuwig zal blijven duren. Maar tot het zover is, zullen wij moeten blijven strijden voor onafhankelijkheid en evenwichtige programmaties.”
Huub: “Als je aan mij vraagt waar wil je binnen twintig jaar staan, dan is mijn antwoord: recht.” (algemene hilariteit) “Neen, serieus, ik blijf gaan zolang ik er plezier in heb. We hebben hier wat zitten klagen, maar het blijft natuurlijk het schoonste beroep ter wereld. Anders zouden we het niet volhouden. Nu en dan een heel klein beetje het verschil maken. Elke reservatie die ik krijg voor een beginnend gezelschap, dat maakt me een dag gelukkig.”
Tekst: Max Temmerman
Beelden: Marie Bouly